Waarom je op wedstrijd anders rijdt dan thuis



(één reden, één oplossing)

Thuis rijd je alsof het vanzelf gaat. Je kijkt onder je blauwe cap door en denkt: “Ja. Goede hoeken. Soepel aanspringen. Schouderbinnenwaarts zonder gehakkel. Alles klopt.


Dit is zo’n training waarop je afstapt met een glimlach die je niet hoeft uit te leggen.


Dus hop, naar Mijn KNHS en inschrijven maar. Je bent he-le-maal het mannetje.


Totdat je  staat te vlechten. Bij iedere knot die niet perfect zit, daalt je zelfvertrouwen. Of het door de knotten komt is de vraag, maar ze krijgen wel de schuld. 


Dat zal ze leren, die knotten.


Met je Kia Sportage rijd je het wedstrijdterrein op. Het bordje trailers rechtsaf is vaag groen en verweerd. Je laat even het gas los. Je maag trekt samen en je schouderbladen zoeken elkaar op. Vanuit de bijrijdersstoel klinkt het droog: “Je gezicht stond wel eens leuker.” Je zucht.


Ik neem gewoon wat langer de tijd om in te rijden, dan zakt het wel.”


Maar het zakt niet. En je rijdt anders. Je hoeken zijn te rond, het aanspringen geeft een hapering en in de schouderbinnenwaarts breekt hij af. 


Je weet precies wat je thuis zou doen. Maar je doet het niet.


Afgelopen week kreeg ik deze vraag in ongeveer honderd verschillende versies:


Hoe kan ik op wedstrijd net zo rijden als thuis?”


En hoe begrijpelijk die vraag ook is, voor mij zit hij nét naast de kern. Er gaat namelijk nog een vraag aan vooraf. Een vraag die we zelden stellen, maar die alles kan veranderen:


“Is het  eerlijk  om van jezelf te vragen om in de ring net zoals thuis te rijden?”


Sta daar even bij stil. De omstandigheden zijn anders, dat weten we. Maar belangrijker: onder spanning schakelt je lichaam over op efficiëntie. Op overleven. Op de manier van bewegen die het minst denkwerk kost.


En dat is niet per se de manier die je afgelopen week hebt geoefend. Het is de manier die het diepst is ingesleten. De oudste route. Het patroon dat al jaren bestaat.


De meest bekende weg wordt aangesproken. 


Dus als je ooit, bewust of onbewust, aan de teugels bent gaan hangen, dan doet je lichaam dat onder wedstrijdspanning opnieuw. Niet omdat je faalt. Maar omdat dat patroon het snelst beschikbaar is.


Dat hoeft je niet te frustreren. Sterker nog: precies daar ligt je ingang.


De kunst is om nieuwe patronen zó diep te bevestigen, dat ze óók onder spanning voor het grijpen liggen. Niet een week goede hoeken. Eerder een maand. Of een jaar. Dan kun je op een eerlijke manier van jezelf vragen om dit ook in de proef te doen. En tot die tijd?


Wees alsjeblieft een beetje lief voor jezelf in de ring.



P.S. Binnenkort lanceer ik een cursus die helemaal ingaat op de mindset van de ruiter.


Sneak: mentale rust voor iedere ruiter